Ik was op een nieuwjaarsfeestje, en een meisje/vrouw sprak me aan: geloof jij in God?
Ik zei: ja.
Zij vervolgde op mijn vraag waarom zij mij dit vroeg: ik vraag dit aan iedereen hier, en niemand zei tot nu toe: ja. Jij bent de eerste.
Op mijn vraag of zij in God geloofde blokkeerde ze volledig en begon een verhaal over haar streng protestante opvoeding, dat ze bij het woord God alleen maar daaraan kon denken. Zij zag God als een strenge, oude man, van wie van alles niet mocht.
Ik stelde haar voor te denken aan God als Boedha of Allah, Indisch of zwart en een Afrikaanse vrouw, zij antwoordde: dat is onmogelijk, dat kan ik niet denken, die Afrikaanse vrouw kan ook niet, want ik ben in Afrika geweest. Mijn uitgangspunt dat ieder voor zichzelf een eigen Godsbeeld kan maken was schokkend voor haar, ze kon zich niet een God buiten haar opvoeding over God voorstellen, vertelde ze me.
Dit was voor mij weer vreemd en ik daagde haar uit iets te vertellen over wat haar wereldbeeld was, of vragen aan mij te stellen over mijn wereldbeeld. Ze vroeg mij of ik geloofde in de wereld als de schaduwen in een grot, dat we slechts een projectie waarnemen van wat we zijn als mensen. Ik zei dat ik inderdaad geloof dat we ons maar gedeeltelijk bewust zijn van wat we allemaal kunnen zien en waarnemen. Dat als we willen we ook op ieder moment van de dag God kunnen waarnemen en ook totaal andere werelden, maar dat we ons laten blokkeren door onze opvoeding. Zoals zij zich liet beperken door haar opvoeding in het denken over en ook in het zien van God. Dit is echter niet 1 wereld, we zijn in staat meerdere waarheden en werelden te zien als we onze opvoeding kunnen doorbreken.
De volgende discussie tussen ons ging over God is liefde. Als God liefde is, welke liefde dan?
De liefde om de ander meer lief te hebben dan jezelf, bedacht ik me. De mens, in zijn algemeen, enkele uiterst zeldzame uitzonderingen daar gelaten, is egoïstisch ingesteld en wenst slechts dat de ander van hem houdt. Ik hou van je is een slap excuus voor de werkelijke gedachte die daarachter zit: jij moet van mij houden. Vrijwel niemand is in staat onbaatzuchtig lief te hebben en de ander boven zichzelf en zijn eigen belang te stellen. We rechtvaardigen dit door onszelf als moreel zuiverder te denken t.o.v. de ander: ik werk harder, heb het moeilijker, doe meer vrijwilligerswerk enz. En daarom moet de ander van mij houden: Ik wil dat de anderen mij liefhebben. Met de mond belijden wij echter: ik hou van jou, zoals je bent.
Het is bijna onmogelijk om op deze tegenstelling een vinger te leggen. Vrijwel iedereen zal ontkennen dat dit zo is: neen, ik hou echt van je. Dat de meeste mensen zich zo elkaars gevangenen maken om ervoor te zorgen dat de ander van ze houdt, en dat ze dit met allerlei gedachten kronkels rechtvaardigen waarvan de ergste de geveinsde onbaatzuchtige liefde is, is een gotspe.
Zij moest me gelijk geven op het punt: als ik zeg dat het liefde is om nu naar buiten te gaan en de pilsjes van een piek die ik hier van dit feestje mee neem naar buiten en daar voor een riks verkoop, dan ben je met mij eens dat dit geen liefde is? Ja, antwoordde zij, uiteraard.
Zo zijn de meeste mensen, bezig hun zogenaamde liefde te verkopen voor veel meer dan die waard is. Zij verkopen hun jij moet van mij houden voor: ik hou van jou. En dat is geen liefde. Omdat ik haar niet wilde lastig vallen (de liefde is lankmoedig, zij neemt geen wraak) met de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs (13, 1 t/m 13) met als afsluiting het fantastische: en nu blijft hoop, geloof en liefde, maar de meeste van deze is de liefde, sprak ik met haar af later deze discussie verder te voeren. Het was inmiddels tien voor twaalf geworden.
We waren onderhand ruim een uur verder, er waren vuurpijlen geschoten, we dansten en wisten niets van Volendam, want de radio en televisie waren uit, de familie was voor 0.00 u. gebeld, toen we weer bij elkaar in de buurt stonden. Zo, hoe is het met de EO? begroette ze mij. Lik op stuk gevend vertelde ik dat ik niet protestants was opgevoed, dat ik het laatste jaar geen enkele kerkdienst bezocht had en dat officiële religieuze instituties er voor mij er ook niets mee te maken hadden.
Ze bond wat in, bood zelfs haar excuses aan voor haar te snel getrokken conclusie en na deze dwaling zei ze me: ik vind het te moeilijk, het lukt me echt niet om buiten mijn opvoeding over God te denken, laten we er maar mee stoppen.
Als overdenking vroeg ik haar een viertal vragen te bedenken over God die zij mij zou willen stellen en waar ik dan naar eer en geweten op zou antwoorden. Niet omdat ik het zou weten maar om de dialoog, die ik uiterst interessant vond, voort te zetten. Zij wilde er helemaal mee stoppen en bestempelde zich tot ongelovige.
Hier stokte het, ze benaderde mij verder die nacht met een zekere eerbied en afstandelijkheid, alsof iemand die in God gelooft niet zomaar vrolijk kan zijn en zich volkomen aan het feestgedruis kan overgeven maar daar altijd een goddelijk motief voor heeft.
Die nacht deed ik nog vreemde dansen met onbekende mensen, sprak ik met vrienden en vreemden over van alles en nog wat, herinnerde ik me de naam Buijtendijk als EO presentator, hield een verhandeling over het voordeel van een enkel goed glas wijn boven ettelijke glazen bier (je hoeft niet zo vaak naar de WC en wie weet wordt je ooit nog eens een connaisseur bijv) en kwam tot bezinning toen ik met een andere aanwezige over de dood sprak (in dit geval iemands zelfmoord).
Ik bedacht me dat de dood ons uiteindelijk terug voerde naar de liefde, als het goed is. In mijn geval naar mijn vader, een uiterst emotioneel en religieus man die te vroeg gestorven is (nu zon 25 jaar geleden) die probeerde te houden van, en nooit geleerd had dit zo uit te drukken dat wij, zijn kinderen dat begrepen. Zelf was hij, door het vroege overlijden van zijn moeder, voor een groot gedeelte opgevoed in een weeshuis. Hij wilde vervolgens alleen maar het allerbeste voor zijn gezin: hij wilde de liefde geven, die hij zelf zo gemist had in zijn jeugd. Dat deed hij op religieus beklemmende wijze, met veel verwijzingen naar God. De manier waarop was voor ons kinderen helaas zo streng, dat wij 1 voor 1 kapten met de kerkgang. Gelukkig bleef ik wel over God nadenken en kon mijn religieuze ontwikkeling loskoppelen van mijn vader en zijn opvoeding daarin. Mijn oom, de broer van mijn moeder, was en is pater en heeft een zeer eigentijdse invulling van het geloof. Hij helpt o.a. drugsverslaafden nog wat van hun leven te maken, door daadwerkelijke, concrete hulp en uitgebreide en goede gesprekken met ze voeren. In God geloven begint volgens mij met een gelijkwaardige, menselijke dialoog, en wie weet kan God je dan de kracht geven om onbaatzuchtig lief te hebben zoals ik uiteindelijk ook mijn vader weet onbaatzuchtig lief gehad te hebben. Ik ben vrijwel altijd eerlijk tegen hem geweest een voorwaarde voor onbaatzuchtige liefde- en hoor hem nu nog (hij had een prachtige zangstem) Jozef Schmidt nazingen: Hast Du in Himmel die Engeln bij Dir? Schick doch einer! alsof hij vanuit de hemel mij die Engel probeert te laten zijn die ik zou moeten worden. En, hopelijk, naar zijn idee, een uiterst warme, onbaatzuchtige en menselijke Engel.