Een boerenjongen die Klaas Vaak heette, had een goede daad gedaan. Wat hij gedaan had, doet er nu niet toe. Ik kan het u wel vertellen, maar waarom zou ik; het doet er toch niet toe. Hij kreeg voor deze goede daad een toespraak van de burgemeester, een aubade van de plaatselijke fanfare en een medaille van verchroomd ijzer. In het huis-aan-huis-blad verscheen ook nog een berichtje met erboven: "Molenaarsknecht verricht goede daad".
Hij had natuurlijk niets aan die toespraak, en toen de muziek van de aubade afgelopen was, had hij daar ook niets meer aan.   Aan de medaille had hij wel iets, zij het niet veel. Hij hing hem om en liep er eerst de hele dag meer rond. Maar na een poosje was daar de lol wel af, ook al omdat iedereen hem liet merken dat het nu wel genoeg was geweest. Weliswaar had hij  een goede daad gedaan, maar zo iets bijzonders was het nu ook weer niet geweest. Ik zei u al dat het er eigenlijk niet toe deed.

Klaas deed de medaille dus maar in een la en keek er niet meer naar om. Het leven ging weer gewoon zijn gang en dat was zeer na verloop van tijd leek het wel of hij nooit iets goeds had gedaan. Eigenlijk leek het eerder of hij alles juist fout deed. Even maar had het leven geglommen, net zoals de medaille, maar nu leek alles weer even dof. Erger nog, iedereen kankerde op hem; zijn baas de molenaar kwam hem onaangenamer voor dan ooit en zijn ouders schenen hem nog vervelender toe dan anders. Vaak dacht Klaas bij zichzelf: "Had ik maar nooit een goede daad gedaan, dan viel het nu allemaal niet zo tegen.”
Andere mensen doen dat ook niet en die varen er wel bij. Het lijkt wel alsof het juist beter gaat met mensen die niet veel anders dan nare dingen doen."

De molenaar doekte op een dag zijn bedrijf op. "Malen doen ze tegenwoordig in de fabriek," zei hij. Hij ging zelf in de groente- en fruithandel. Zijn knecht Klaas kreeg een week loon mee en was ontslagen. Hij kon natuurlijk wel bij zijn vader gaan werken, maar de hele dag tussen de varkens zitten en de kippen voeren, daar had hem nou juist geen zin in gehad. Hij werkte bij gebrek aan beter een maand lang maar zo goed als hij kon op de boerderij. En dat was niet zo goed. Toen hij daar ruzie over kreeg met zijn vader, besloot hij de wijde wereld in te trekken om daar zijn geluk te beproeven. Klaas nam zijn knapzak en zijn medaille, en hij vertrok.

De wijde wereld bestond voorlopig uit het naburige dorp, waar hij werk vond als afwashulp in de keuken van een herberg. Klaas had zich voorgenomen om, wat er ook gebeurde, in ieder geval nooit meer een goede daad te verrichten. Maar van dit voornemen kwam weinig terecht. Niet lang nadat hij in dienst was gekomen,was de waard wat onvoorzichtig in de keuken en in minder dan geen tijd stond de hele de keuken in de hens. Klaas moest om zichzelf te redden wel een deur forceren, waardoor ook nog wat anderen aan het vuur konden ontkomen.
Er zou niets aan de hand zijn geweest, als zich onder de gasten niet net een correspondent van een regionaal dagblad had bevonden die ook wel eens wat wilde verdienen. De krant kopte de volgende dag dan ook ietwat overdreven: "Keukenhulp redt acht mensen". De journalist rekende zichzelf tenminste dubbel, maar dat komt bij de pers wel vaker voor.
Het zal duidelijk zijn dat de burgemeester zich dit niet kon laten ontgaan en al gauw had Klaas weer een toespraak, een aubade en een medaille te pakken. Deze burgemeester sprak iets beter en de muziek was minder vals. De medaille was echter van blik en nog lelijker dan de vorige. Klaas kreeg natuurlijk ook een foto in het streekblad, zodat alle inwoners van zijn geboortedorp nu zeker wisten dat hun Klaas wereldberoemd was.

Klaas Vaak prikte op verzoek van de waard zijn beide medailles op. Hij werd gepromoveerd tot hulpkelner. Eerst oogstte hij nog bewonderende blikken van de gasten, maar na verloop van tijd ginnegapten ze alleen nog maar wanneer hij langs kwam met zijn rammelende eretekens. Hij bracht van zijn nieuwe werk dan ook weinig terecht: veel serviesgoed bereikte niet in ongeschonden staat de tafels, laat staan nog de keuken. Hij werd al gauw door zijn baas, die die kapotte deur eigenlijk direct al volstrekt overbodig had gevonden, weer naar de keuken verbannen. Klaas betreurde deze goede daad nog meer dan de vorige keer. Hij bezwoer er nooit meer één te doen. Alleen vervelende dingen leverden blijkbaar blijvend respect op. Om zijn goede voornemen te bekrachtigen kneep hij, net zoals hij de waard menigmaal had zien doen, ook maar eens stevig in de vettige reet van de kamermeid. Het kwam hem niet alleen op een rode plek op zijn wang te staan, maar ook op ontslag op staande voet.

Klaas voelde zich meer dan verongelijkt. Hij pakte zijn knapzak en zijn twee medailles en trok verder de wijde wereld in. Deze bleek het dichtstbijzijnde provinciestadje te behelzen, waar hij een baantje kon krijgen als schoonmaker in het ziekenhuis. Hij sliep overdag in een logement en hij werkte 's nachts. Een leuk leven was het niet en hij slenterde vaak door de stad met zijn ziel onder de arm. Hoewel hij wel eens aanspraak had, maakte hij geen echte vrienden. Klaas werd er mistroostig van en soms dacht eraan om dan in hemelsnaam maar naar huis terug te keren. Hij was juist weer in zo'n bui, toen hij een oude zwerver ontmoette.

De man was doorlopend dronken, maar dat deerde Klaas niet, want de man wist prachtige verhalen te vertellen over de oorlog. Het was een echte, grote oorlog geweest, waarin hij een heldenrol had gespeeld. Een oorlog die eigenlijk een beetje om hem gedraaid had. Klaas kon uit het dronkemansgelal van de zwerven niets anders opmaken dan dat er zonder diens moedige verzetsdaden aan die oorlog zelfs nooit een einde zou zijn gekomen.

Met rode konen hoorde Klaas het allemaal aan, terwijl de avonturen van de zwerver, oftewel de Baviaan zoals hij zich nog steeds graag liet noemen, steeds spannender werden. De man had in geen jaren zo'n succes gehad bij zijn publiek. Klaas kreeg echter pas een dromerige, donkere blik in de ogen, toen de Baviaan als bewijs van zijn heldendaden een medaille tevoorschijn haalde.

Dat was nog eens een medaille! Niet zo'n soort melkflesdop waar hij er twee van had... Nee, dit was tenminste een echte, van brons of misschien wel van goud. Een medaille waarvoor de mensen echt respect opbrachten.

Hoewel Klaas de dagen daarop zijn werk naar behoren bleef doen, moest hij voortdurend denken aan de medaille van de zwerver. "Kwam er maar weer eens een grote, gezonde oorlog," dacht hij vaak. Hij droomde in zijn smalle bed in het logement allerlei spannende avonturen bij elkaar, waaruit hij als een echte held tevoorschijn kwam. Hij werd in zijn nachtelijke avonturen met open armen ontvangen door zijn ouders, de molenaar en de waard stonden buigend langs de kant van de weg als hij aan kwam schrijden, en de kamermeid bood hem niet alleen haar vette reet aan. Vooral dit laatste maakte hem telkens zo onrustig, dat hij met een keiharde jongeheer wakker werd en hij daar wel iets aan moest doen, voordat hij naar zijn werk kon. Hoezeer Klaas de volgende dagen ook zocht, de Baviaan liet zich helaas niet meer zien. Toch bleven de gedachten aan de medaille door zijn hoofd spoken en elke keer kreeg hij daar als vanzelf een stijve van.

Klaas had in het ziekenhuis weinig te maken met de patiënten en het verplegend personeel; hij moest meestal lege kamers schoonmaken en slechts af en toe zag hij een verpleegster voorbij flitsen. Eentje had wel eens in het voorbijgaan tegen hem geglimlacht, maar dat was alles geweest. De zieken kon hij soms wel horen, als ze lagen te kermen of te steunen, maar van enig contact was geen sprake. Op een keer echter liep hij met zijn spullen een verkeerde kamer binnen. Het was een bezette kamer en hij wou zich alweer omdraaien om weg te gaan, toen zijn oog viel op de zieke die daar lag. Of beter: op diens pyjama waarop een medaille was gespeld. Hij liep naar de man in het bed toe.
Het was een mooie medaille, vond hij. Niet zo mooi misschien als die van de Baviaan, maar zeker mooier dan die twee goedkope gevallen die hijzelf bezat. De patiënt leek vast te slapen. Klaas kuchte een paar keer om dit te controleren. Vervolgens friemelde hij net zolang tot hij de medaille had.
"Gesnapt!" klonk het achter hem.
Van schrik liet hij zijn nieuwste aanwinst uit zijn handen vallen. Nog net voordat het ding rinkelend en kinkelend op de grond zou zijn gevallen, plukte Klaas hem uit de lucht. Hij keek ongerust naar de zieke, maar die sliep gelukkig door. Hij draaide zich om. Daar stond het verpleegstertje dat wel eens naar hem geglimlacht had, met een vinger op haar lippen.
"Ssst."
Zij gebaarde hem dat hij haar moest volgen. Hij liep achter haar aan de gang door een onbezette kamer in. Daar ging ze op het pas opgemaakt bed zitten.
"Ik ben Maartje. Hoe heet jij?"
"Ik ben Klaas," bracht hij met enige moeite uit.
"Dat was niet zo best, wat je daar deed, Klaas."
Hij wist niet wat te zeggen. De medaille die hij daarnet van de patiënt had afgeplukt, gloeide in zijn handen.
De meisje giechelde."Wees maar niet bang hoor, dat ik je zal aangeven. Wij doen dat hier allemaal wel eens."
Klaas knikte bête.
"Maar, dan moet je natuurlijk ook wat voor mij doen. Dat spreekt vanzelf, vind je ook niet?"
"Dat spreekt vanzelf," mompelde Klaas.
"Goed," zei Maartje."Kom dan maar eens hier en laat eens zien wat je verder zoal kunt."
Het verpleegstertje deed haar witte rokje omhoog. Klaas zag meteen dat ze geen broekje aan had, want hij keek recht in een spleetje, omkranst door zwart dons. Het meisje spuwde op een vinger en streek ermee over het spleetje. Zij liet zich achterover vallen en spreidde haar benen zo, dat Klaas haast bij haar naar binnen kon kijken.

Hij liet zijn broek zakken en bracht zijn slappe jongeheer in de buurt van het roze, opengesperde gleufje.
"Dat kan beter," zei het verpleegstertje. En terwijl zij met een hand achter op het bed leunde, pakte ze met de andere zijn piemel vol beet en begon eraan te trekken.
Klaas deed zijn ogen dicht. Zijn gedachten gingen onmiddellijk uit naar zijn belevenissen van de laatste tijd en natuurlijk vooral naar de medaille van de Baviaan. Bij de gedachte aan diens medaille zwol zijn piemel meteen op tot een grote, rode strijdknots.

"Aha," zei het meisje en duwde het strijdwapen bij zichzelf naar binnen. "En nu zo diep mogelijk erin en zo hard en zo snel mogelijk heen en weer. Er is niets zo lekker."
Zij had dit eigenlijk helemaal niet tegen Klaas hoeven te zeggen, want hij had vaak genoeg gezien wat zijn vader met de zeug deed. Hij pakte haar om haar middel en bewoog zich zo regelmatig mogelijk in haar heen en weer. Zij bewoog met hem mee. Hoewel, zij bewoog eigenlijk telkens net in de tegenovergestelde richting. Al gauw hadden ze de slag te pakken.
"Aha," merkte Maartje weer op.
"Ahah," zei Klaas op zijn beurt.
"Oho," vulde Maartje aan.
"Ohoh," reageerde Klaas.
"Uhu," wierp Maartje op.
"Uhuh," riposteerde Klaas.
"Oeioei," bracht Maartje in.
"Oehoei," stelde Klaas vast.
"Auwouw!" besloot Maartje.
"Auwhouw!" concludeerde Klaas.
En hij voelde hoe zijn sap in haar glibberige, samentrekkende en zo uitgesproken vrouwelijke deel spoot. Na dit seksueel dispuut bleven ze even ademloos liggen.
"Bedankt," zei het meisje toen. "Daar was ik wel aan toe."
"Graag gedaan," zei Klaas. Hij meende het oprecht.
"Ja?" vroeg het meisje."Denk je dat je het nog een keer zou kunnen?" Zij keek hem aan met glimmende ogen.
"Ik denk van wel," antwoordde Klaas Vaak.
Ze staken in voor een volgende beurt.

De discussie op het wippende ziekenhuisbed duurde dit keer iets langer, maar daar hadden ze geen van beiden bezwaar tegen. Bezweet bleven ze naast elkaar liggen. Ineens kwam er een benauwende gedachte bij Klaas op.
"Als die patiënt nou morgenochtend ontdekt dat zijn medaille weg is? Wat dan?"
"O, dat geeft niets hoor," zei Maartje."Ik heb die er zelf voor hem opgeprikt. Verder weet toch niemand dat hij er een heeft. En als ie er toch over begint, denkt iedereen dat hij weer wartaal uitkraamt, want meneer Van Wingerden is dement. Hij ligt hier alleen maar te wachten tot er plaats is in een verzorgingstehuis."
"Maar waarom heb je dat dan niet meteen gezegd!" merkte Klaas een beetje verontwaardigd op.
"Waarom denk je?" giechelde Maartje. En ze kneep nog eens even in zijn weer geheel verslapte mannelijkheid.
"O," zei Klaas. Hij voelde zich onnozel.
"Zullen we het nog één keer doen?" fluisterde het verpleegstertje in zijn oor."Zou je dat wel willen?"
"Willen wel, maar ik weet niet of ik het nog een keer kan."
"Ach kom, het ging toch lekker? We kunnen het toch nog een keer proberen? Vooruit, naai me nog één keertje lekker hard en lang."
Zij nam zijn lid in haar mond en sabbelde er net zo lang op
tot het weer de vereiste vorm had aangenomen. Daarna draaide zij haar achterste naar hem toe en duwde het weer stevig kloppende deel in het juiste gaatje.

Klaas sloeg zijn armen stevig om haar heen, nam haar tietjes in zijn handen en toen hij de priemende topjes voelde, bracht hij als vanzelf ook deze spreekbeurt weer tot een goed einde.

Moe maar tevreden lagen ze nog een poosje naast elkaar uit te hijgen. Maartjes vuur scheen voorlopig gedoofd te zijn.   Plotseling snoof het meisje."Ruik jij niks?"
Nu rook Klaas het ook."Er is brand!"
Ze sprongen op, maakten hun kleren in orde en renden in de richting van de brandgeur. De kamer van Van Wingerden stond in brand! Terwijl Maartje de brandweer belde, probeerde Klaas alvast ook dit vuur te doven. Ondanks zijn wat slappe benen lukte het hem de oude Van Wingerden met bed en al uit de vlammen te krijgen.

Zelfs enkele landelijke kranten schreven de volgende dag: "Klaas Vaak redt weer man uit vuurzee." Nu was hij een echte held. Weliswaar weer geheel tegen wil en dank, maar toch een ware. Een verslaggever maakte zelfs een toespeling op zijn naam en vroeg zich in zijn artikel af, hoe vaak Klaas nog iemand moest redden, voordat hij een werkelijk belangrijke onderscheiding kreeg. Hij citeerde zelfs Van Wingerden, wiens gebrabbel over een medaille hij in die richting interpreteerde. De journalist meende, dat het tijd werd dat deze eenvoudige schoonmaker ook eens een lintje kreeg. "Of is dat alleen maar weggelegd voor hoge heren?" vroeg de scribent zich af.

Aldus geschiedde. Door de commissaris van de koningin kreeg Klaas in het provinciehuis van de gewestelijke hoofdstad een heus lintje opgespeld. Eindelijk deed zijn goede daad er eens toe; hij trad toe tot de orde der Bekende Nederlanders. Hij kwam op de radio en hij moest zelfs op de teevee. Weliswaar slechts in een middagprogramma voor huisvrouwen, maar toch begrepen ze in zijn geboortedorp dat Klaas Vaak de grootste zoon was die zij ooit voortgebracht hadden. Zelfs de voormalige molenaar, die toch maar niet in de groente en het fruit was gegaan maar gewoon wethouder was geworden, wist te vertellen dat Klaas de beste werknemer was die hij ooit in dienst had gehad. Het dorp werd vast versierd om de mensenredder groots in te halen.

Klaas moest echter eerst nog de festiviteiten van zijn huidige woonplaats ondergaan. Hij werd toegesproken, toegejuicht en toegezongen. Hij werd gefêteerd op bijzondere lekkernijen en mocht net zoveel speciale drankjes tot zich nemen als hij wou.
Maartje kreeg hij daarbij slechts op een afstand te zien. Zij had slechts een speldje van het ziekenhuis gekregen. Ook bleek ze tot zijn verdriet te beschikken over een verloofde, die het volgens haar ook heel goed kon. Klaas liet zich daarom na de sonate van de christelijke harmonie maar de achtertuin in lokken door de dochter van de burgervader. Zij bleek wat minder getraind te zijn dan Maartje, want nadat zij haar rokje omhoog had getrokken en hem haar bleke billen had getoond, leidde ze hem het verkeerde holletje binnen. Vol overgave kweet hij zich van zijn taak, maar kon toch niet voorkomen dat hij haar daarbij een beetje pijn deed.

Na afloop van het festijn waggelde Klaas nog een poos door de snel stiller wordende straten. Hij wilde de gebeurtenissen wat laten bezinken. Het was mooi natuurlijk zo'n lintje, en wel belangrijk ook, maar een medaille was het niet. En zeker niet zo'n  eervolle onderscheiding als die van de Baviaan.

"Wat loop je daar in jezelf te mompelen?" vroeg een vrouw die plotseling voor hem uit een portiek opdook. "Wil je een medalje? Nou, die heb ik niet voor je. Hooguit eentje van de tippelaarsvereniging!" En ze lachte met lange, hoge uithalen.
"Ik ben op weg naar huis, ik ben moe," stamelde Klaas.
"Nou, ik heb anders wel wat anders voor je." De hoer trok twee enorme, bolle borsten uit haar jurk. "Brengt dit je niet op andere gedachten?"
Klaas staarde sprakeloos naar haar reusachtige, roomkleurige boezem. Zulke grote tieten had hij van zijn levensdagen nog niet gezien. De spenen die erop zaten, waren nog groter dan hij thuis op de boerderij had mogen aanschouwen. Hij moest even naar adem happen.
"Ik heb geen geld," piepte hij toen. Hij was ondertussen weer aardig nuchter geworden en moe voelde hij zich ook niet meer.
De vrouw begon haar materiaal alweer in te pakken, toen haar plotseling iets opviel."Hé, ben jij niet die mensenredder die onderlaatst op de tallevizie was?"
Klaas knikte.
De hoer grijnsde nu met een rode streep van oor tot oor."Dan heb je eigenlijk wel wat verdiend. Weet je wat, omdat je zo'n lekkere jonge kerel bent, mag je voor deze keer gratis aan mijn handel voelen. Wat zeg je daarvan?"
Daar zei Klaas helemaal niks van, want inmiddels had hij haar enorme joekels al in handen. Hij kneep voorzichtig in het veerkrachtige, warme vlees.
"Wat een prachtige uiers," liet hij zich ontvallen.
"Wat dacht je anders hiervan?" zei de hoer met glinsterende ogen. En zij bracht een hand van Klaas tussen haar benen.
Zoveel begroeide bergen en dalen had Klaas nog nooit gevoeld.   Zonder ook maar een moment aan een medaille te hoeven denken, groeide zijn lid uit tot een driftig kloppende paal. Geroutineerd bevrijdde de vrouw de stevige staaf uit zijn broek. Zij slaakte een kreet: "Wouw, die mag er wezen! Als er één is die er verstand van heeft, dan ben ik dat."
Van trots zwol zijn lid nog meer op.

De vrouw spuugde een paar keer in haar handen en pakte de rode knop vast. Vakbekwaam begon ze erover te wrijven. Toen Klaas hevig begon te hijgen, verstevigde zij haar greep en pompte net zolang tot Klaas brullend een witte straal de portiek in schoot. De vrouw bekeek tevreden het resultaat van haar arbeid. "Voor wat, hoort wat," zei ze toen en douwde de hand van Klaas weer tussen haar dijen. Zijn hele hand gleed haast weg tussen haar soppende lippen. Zij leidde zijn hand naar een knopje bovenin haar gleuf en vroeg hem dit te masseren. Dat deed Klaas plichtsgetrouw, terwijl hij zich met zijn andere hand stevig aan een bil vasthield en onderwijl op een van die geweldige tepels zoog. De vrouw begon eerst te kreunen, vervolgens te kermen, om het tenslotte uit te krijsen, waarbij ze met haar heupen zulke schokkende bewegingen maakte, dat ze beiden haast de portiek uit vlogen.
"Je bent een lekker gezond jong," zei ze voldaan, terwijl ze nog nahijgde."Maar de volgende keer wel centjes meenemen, hoor. Dan kunnen we eens een echt nummer maken."
Klaas beloofde het haar en vervolgde zijn weg.

Het park waar hij door moest, werd beschenen door de maan. Klaas liep rustig, want er was veel waarover hij moest nadenken. Op een bankje bij de uitgang lag een man in wie hij tot zijn verrassing de zwerver herkende die ze de Baviaan noemden. Tijden had hij hem niet gezien, en juist nu moest hij hem vinden! Klaas kwam voorzichtig naderbij.

De oud-verzetsstrijder lag heftig te ronken, met in zijn armen nog een lege wijnfles geklemd. Wat Klaas het meest opwond, was dat hij in het maanlicht heel duidelijk de medaille kon zien schitteren, die de Baviaan in zijn hand hield. Daar was hij dan eindelijk: het meest begeerde voorwerp dat hij kende!
Hij kon zich niet beheersen en begon de medaille uit de knuisten van de slapende zwerver te wurmen. Die hield de kostbare onderscheiding zo stevig vast, dat het nog een hele klus was.    Bijna had hij het kleinood te pakken, toen de fles op de grond rolde. De Baviaan was onmiddellijk wakker. "Wat, wou je me bestelen! Denk je soms dat ik iets heb?" De zwerver keek Klaas lodderig aan; het was duidelijk dat de oude man hem niet herkende. "Ik heb niks. Ik ben niemand. Sinds de oorlog heb ik kind noch kraai meer. Als je geld wilt hebben, moet je bij een ander wezen."
De voormalige oorlogsheld wilde opstaan, maar daar was hij te dronken voor. "Tuig dat jullie zijn! Zonder ons zaten jullie nu allemaal in een kamp. Als jullie tenminste nog zouden leven. Maar erkenning? Ho maar! Niks kun je krijgen. Alles is bij het oude gebleven," vervolgde de Baviaan zijn tirade. "Zelf gaan ze er met de beste baantjes vandoor, terwijl ze in de oorlog geen flikker hebben gedaan. Helden werden het pas na de oorlog. Een nieuwe wereld zouden we met z'n allen bouwen. Maar daar is niks van terecht gekomen. Beloofd is er veel, maar krijgen doe je niks. Nou ja, zo'n waardeloze medaille, met een hoop mallepraat erbij."
De Baviaan keek Klaas scherp aan. Hij scheen ineens een stuk helderder te zijn. "Wou je dat ding soms hebben? Dat waardeloze stuk metaal, waar je niets voor koopt en waar je alleen maar narigheid mee krijgt? Nou, van mij mag je hem hebben!"
Hij gooide de medaille recht op Klaas af, die hem precies tegen het voorhoofd kreeg. Dat deed nog behoorlijk zeer. Maar hij raapte hem wel rap op en zette het meteen op een lopen. Je kon maar nooit weten of zo'n ouwe baviaan zich niet bedacht, als hij weer helemaal sober werd. Eenmaal op zijn kamer legde Klaas de medaille onder zijn hoofdkussen en viel direct in een diepe, eindelijk droomloze slaap.

Klaas bekeek de volgende ochtend de medaille van de Baviaan eens goed. Deze erepenning was heel wat mooier en ook veel groter dan die koperen van Van Wingerden en zeker dan die twee verzilverde nikkelen gevallen die hijzelf gekregen had. Hij was nu de trotse bezitter van vijf onderscheidingstekens, iets waar je werkelijk wel mee voor de dag kon komen. Hij poetste en wreef de medailles op, stofte het lintje af, waarna hij de medailles op zijn borst prikte en het lintje in zijn knoopsgat stak. Hij belde hij naar het ziekenhuis op met de mededeling dat hij niet meer kwam. De reis terug naar zijn geboorteplaats kon aangevangen worden.

Die nacht logeerde hij als welkome gast in de herberg waar hij gewerkt had en waar hij zo plots ontslagen was. De herbergier stond erop dat hij niet betaalde. De kamermeid, die hem zijn ontbijt op bed kwam brengen, toonde zich maar wat vereerd toen hij haar in haar kont kneep. Sterker nog, ze trok haar slip uit, draaide hem haar meer dan flinke reet toe en stond erop dat hij deze nog wat steviger betastte. Dat deed Klaas zonder pardon, want hoewel hij ondertussen wel wat gewend was, had hij zulke dikke billen nog nooit onder handen gehad. Zijn paal nam meteen al de juiste stand aan en priemde zich tussen de twee blanke hammen. De meid smeerde er vlug wat boter tussen, zodat Klaas zijn ferme exemplaar toch gemakkelijk in het achtergaatje kon steken.

Terwijl Klaas het onder haar aanmoedigingen aan de achterkant al spoedig tot een goed einde wist te brengen, ontfermde zij zich zelf met een paar vingers over de voorkant om op temperatuur te komen. Zij eiste daarna dat Klaas ook nog haar voorgaatje vulde, wat Klaas zonder tegensputteren deed. Daar besloot hij pas mee, toen de meid gierend aan haar gerief kwam.
"Oef, dat was me wel een beurt, zeg," zuchtte ze na afloop."Daar kan die ouwe mooi niet tegenop."
Klaas glunderde met grote, rode konen.
Dankbaar nam ze zijn jongeheer tussen haar borsten en tot haar grote bewondering slaagde Klaas erin ook deze twee met zijn zaad te besprenkelen. Wijzend op zijn medailles zei ze: "Nou, Klaas Vaak, je doet je naam wel eer aan. Hiervoor zouden ze je ook wel eens een paar van die dingen mogen geven. Beloof je me dat je er een volgende keer nog eens overheen gaat?"  Klaas glom nu haast net zo als zijn medailles.
Nadat hij ook aan de waard beloofd had, dat hij nog eens terug zou komen, ging hij op huis aan.
 
De ontvangst in zijn eigen dorp was uitbundig. Zijn moeder knuffelde hem en zijn vader gaf hem een schone hand. Hij zag tranen opwellen in de ogen van zijn broertjes en zusjes. Alle dorpelingen klapten en zwaaiden naar hem toen hij langs kwam met al zijn rinkelende, ratelende en rammelende medailles op zijn borst. Trots gooiden ze tot confetti verknipte oude jaargangen van de kerkbode over hem heen. Met de fanfare voor zich uit liep hij naar het raadhuis, waar op het bordes de nieuwe wethouder, de oude burgemeester en de bovenmeester om beurten hun toespraken voorlazen. Vooral die van de meester maakte indruk op Klaas, want gedurende de tijd dat hij op school zat, had deze nog nooit een goed woord voor hem over gehad.
Klaas moest daarna een dankwoord voor deze schitterende huldiging uitspreken. Het ging hem eigenlijk niet zo goed af. Omdat hij evenwel bijna elke dorpsbewoner met name noemde, zelfs de jongens die hem vroeger zo gepest hadden omdat ze hem maar een onnozelaar vonden, werden de handen stuk geklapt en werd er zo luid gejuicht, dat het niet opviel. Daar er juist een wethouder was overleden, werd Klaas nog dezelfde dag door de gemeenteraad met algemene stemmen tot wethouder gekozen.

Omdat hij nooit iets deed wat niet iedereen wilde, of misschien wel omdat hij nooit iets deed, behalve op zon- en feestdagen met zijn onderscheidingen pronken, maakte men hem een aantal jaren later burgemeester, toen de oude door de koningin elders werd benoemd. Misschien loog hij ook wel verstandiger dan een doorsnee-politicus door zelden of nooit zijn mond open te doen. Praatjes vullen geen gaatjes, had hij ondervonden.

Nu had hij er nog een ketting bij ook! Klaas was een gelukkig mens, waar niemand zomaar aan voorbij kon gaan. Hij viel alleen al op door het kabaal dat zijn ambtsketen maakte, samen met zijn medailles, als hij als een soort Nikkelen Nelis het dorp rond struinde. Hij trouwde met de dochter van de burgemeester van de provinciehoofdstad, die dan wel bleke billen had, maar die ook over een voorgaatje bleek te beschikken, en wel eentje dat ze maar wat graag vaak en veel liet vullen. Het huwelijk schonk hun veel bevrediging. "Vaak, vaker, vaakst" borduurde zijn vrouw op het beddengoed van hen en de kinderen.

Klaas zou echter Klaas niet zijn,als hij zo hier en daar ook niet wat andere gaatjes vulde.Zijn voornaamste gave lag immers op dit terrein.

Hij ging dan meestal naar de provinciale hoofdstad,naar Maartje. Die was weliswaar getrouwd met de man waarvan ze hield, maar in een enkel opzicht had zij niet genoeg aan hem. Zij werkte daarom maar het alfabet af, van de A van Anton via de K van Klaas tot de Z van Zacharias. En dan zo weer terug.
Klaas wipte, voordat hij weer huiswaarts keerde, dan soms nog even langs bij en op de hoer die hem zo terwille was geweest. Niet voor niets uiteraard, want zij kende haar beroepseer, al bracht ze hem wel een apart tarief in rekening vanwege zijn speciale talenten. Hij ging zo af en toe ook nog wel eens even naar de herberg en in de kamermeid. Ook al redde hij, tot opluchting van zichzelf en sommige anderen, van zijn levensdagen geen mens meer, de herberg stond altijd voor hem open en de meid ontving hem altijd hartelijk in al haar openingen.
Klaas liet bij zulke gelegenheden zijn medailles en andere onderscheidingstekens thuis, want dat zou toch maar herrie geven.Zijn onderscheidingen zouden bovendien wel eens vuil kunnen worden, en dan zou zijn vrouw ze weer allemaal moeten afstoffen en oppoetsen. En dat was toch een heel karwei, vooral toen hij na een aantal jaren opnieuw een lintje kreeg. Dit keer van een hogere orde en voor niets, zoals de meesten.

Heel soms dacht hij nog wel eens aan de Baviaan. Hij bedacht dan hij hoezeer de oud-verzetsman ongelijk had gehad. Volgens Klaas was niet ondank maar bevrediging 's werelds loon.

Hans Kilian