Mijn naam is Van de Water. Eigenlijk is het niet mijn gewoonte om te schrijven,
want ik ben geen schrijver. Ik ben uitgever.
Behalve rekeningen, folders, flapteksten en dergelijke heb ik als zodanig in
mijn leven nog nooit wat geschreven. Mijn fonds bestond vooral uit school- en
studieboeken, maar sinds ik een aantal jaren geleden ben gaan samenwerken met
een groot concern - eigenlijk meer een fusie, maar wel met behoud van een zekere
zelfstandigheid - geef ik daarnaast ook wel wat andere titels uit. Die imprint
is meer een hobby dan een serieuze onderneming: ik breng er vooral bloemlezingen
van klassieke meesters, wat poëzie van debutanten en enige diversen in
uit. Niet voor niets heb ik deze poot van mijn fonds dan ook "Restant"
genoemd. Na zoveel jaren in het vak dacht ik wel recht te hebben op zoiets en
gelukkig laten ze mij mijn gang gaan. Men heeft mij in feite min of meer uitgekocht,
doch deze vrijheid heb ik bedongen.
Zo af en toe kan ik aldus een auteur die elders niet aan bod komt, gelukkig maken. Vanzelfsprekend kan ik het ook weer niet iedereen naar de zin maken; onlangs kwamen hier nog enkele jongelieden uit de omgeving die een literair tijdschrift wilden oprichten en die in mij hun toekomstige uitgever zagen. Ik moest hen teleurstellen: zulke bladen kosten alleen maar geld en er zijn er al te veel van. Ook kreeg ik eens een pakket toegezonden van iemand die door medisch falen een kind had verloren. Hij wilde dat ik zijn brieven met officiële aanklachten tegen de medische instanties bundelde. Uiteraard heb ik hem zijn paperassen geretourneerd, maar wel met een inlevende brief erbij. Want waarom zou men iemands gevoelens nog dieper krenken?
Ik wil het verder niet hebben over alles wat ik ondanks mijn goede wil verder zoal heb moeten afwijzen. Er lopen nu eenmaal veel mensen rond die denken dat, wanneer ze af en toe ook wat op papier zetten, dat dan ook meteen gedrukt moet worden. Zoals ik al zei, ben ik zelf geen schrijver en het is dan ook niet mijn gewoonte iets op te tekenen. Buiten mijn werk om schrijf ik nooit iets, behalve dan natuurlijk een enkele brief en af en toe een prentbriefkaart. Beroepsmatig gebruik ik trouwens liever de telefoon, dat is wel zo eenvoudig. Mijn leven is zelden of nooit interessant genoeg geweest om er een dagboek of zoiets op na te houden. Toen ik jong was, ben ik daar wel eens aan begonnen, maar na een week was het alweer over. Op die leeftijd zijn er immers nog zoveel andere dingen te doen.
Dat ik nu dus verslag doe van een aantal gebeurtenissen, is dan ook bijzonder. Omdat ik geen schrijver ben, ligt het niet in mijn bedoeling mijn notities te publiceren, hoewel ik mij er niet tegen zal verzetten als iemand dat nadrukkelijk wil. Wanneer men dit dus toch onder ogen krijgt, hoop ik dat men zich dat wil realiseren.
Een aantal jaren geleden kreeg ik een manuscript toegestuurd van een mij totaal
onbekende schrijver. De begeleidende brief was amicaal van toon en de opsteller
refereerde aan onze gezamenlijke schooltijd in Heernhoede. Daar ben ik namelijk
geboren en getogen, al woon ik dan al weer jaren in Domdrecht.
Het manuscript had als titel "De herder" en was van een zekere Frans Helfenrath.
Die naam zei mij niets; bij mijn weten had ik nooit bij hem in de klas gezeten.
Hoe ik mij ook suf peinsde, ik kon mij hem niet voor de geest halen. De straat
die hij als afzendadres opgaf, kende ik echter wel: de Rozenstraat ligt vlakbij
de oude katholieke kerk in de binnenstad en ik ben er meermalen doorgekomen.
Er woonde zelfs een vriendje van me, zodat ik er soms na schooltijd speelde. Het is een zijstraat van de Achterberg, destijds een vrij drukke winkelstraat. Ik weet nog goed hoe wij soms naar ‘1001 Geschenken’ gingen, waar werkelijk van alles te krijgen was. Iets kopen was er meestal niet bij, maar alleen het lopen door die winkel was al een genot. Dat schoolvriendje heb ik later uit het oog verloren en hij heette trouwens anders. Als ik het goed heb, heette hij Benno. Die winkel bestaat natuurlijk allang niet meer, want het centrum van Heernhoede is door de vooruitgang volkomen geruïneerd. De laatste keer dat ik er geweest ben, was toen mijn vader was overleden. Alles was tegen de grond gegooid en vervangen door gebouwen die op van alles en nog wat leken en dus uiteindelijk op niets. Het is wonderlijk hoe de mens zelfs zijn meest geliefde omgeving prijs geeft in zijn jacht op welvaart. Omdat ik niets meer herkende en er verder ook niets meer te zoeken had, ben ik nadien nooit meer in Heernhoede geweest. Op die ene keer na dan.
"De herder" bleek een novelle te zijn. Zij handelde over een in het leven teleurgesteld man, die zich ergens in Frankrijk teruggetrokken heeft als schaapherder. Op het eind krijgt hij een soort visioen, dat hem met het leven verzoent en hem de kracht geeft de beschaving weer op te zoeken. Een gegeven dat je niet elke dag verwerkt ziet in een verhaal dat je zomaar in je brievenbus vindt, maar nu ook weer niet zó bijzonder. Het was niet goed maar ook niet slecht geschreven. Ik vond het voornaamste manco, dat het nogal fragmentarisch was. Al lezend kreeg ik de indruk dat, als de auteur de vertelling zou bewerken tot een roman door er bijvoorbeeld nog wat sprekende details aan toe te voegen, het geheel best eens publicabel zou kunnen zijn. Ik retourneerde het manuscript met een korte brief van dergelijke strekking.
Weinige weken later ontving ik een fotoboek getiteld ‘Uit het Heernhoeder leven gegrepen, een beeldverhaal van 1900-1940', uitgegeven door Woudkapel, een plaatselijk uitgeverij van historische boekwerken. De teksten bij de afbeeldingen waren van J.F. Helfenrath en Ad. Nijenhuis. Er zat een begeleidend schrijven bij, waarin de co-auteur mij dankte voor mijn reactie. Hij ging op mijn voorstel in en zou zijn novelle omwerken. Hij was erg optimistisch; zeker in Heernhoede dacht hij met zijn schepping enig opzien te baren.
Maanden verstreken. Ik ontving geen verbeterd manuscript en na verloop van
tijd dacht ik er ook niet meer aan. Er zijn zoveel belangrijkere zaken die de
aandacht vragen, dat het geen zin heeft bij zoiets lang stil te staan. Ik zou
zeker nooit meer aan Helfenrath en zijn novelle gedacht hebben, als ik niet
meer dan een jaar later een rouwkaart ontvangen had."Toch nog onverwachts van
ons heengegaan",luidde het begin van het doodsbericht van Frans Helfenrath.
De enige ondertekenaars waren klaarblijkelijk zijn ouders en een getrouwde zuster.
Ik was verrast, want ik behoorde niet tot zijn intimi. Hadden zijn ouders maar
gewoon iedereen die in zijn adressenboekje stond uitgenodigd voor de begrafenis?
Ik voelde ik mij enigszins schuldig. Misschien had ik zijn manuscript toch niet
moeten afwijzen; nu had ik wellicht een ontluikend schrijverschap in de knop
gebroken. Of althans een aankomend auteur de kans onthouden om in het aangezicht
van de dood nog net te ontkomen aan de vergetelheid, die uiteindelijk ons aller
lot is.
Dit gevoel verraste mij. Ik heb vele auteurs afgewezen zonder enige spijt. Waarom
nu dan wel? Omdat de auteur uit mijn geboorteplaats afkomstig was? Ik kon er
geen andere verklaring voor vinden. Of was het misschien de twijfel of mijn
oordeel over de kwaliteit van zijn werk wel juist was geweest? Ik kwam er niet
uit. Misschien kwam het alleen maar, omdat ik niet wist hoe hij was gestorven.
Naar de begrafenis ging ik niet en enige weken later was Frans Helfenrath weer
uit mijn gedachten verdwenen.
Jaren gingen voorbij. Net als een lift brengt het leven je niet alleen omhoog.
De holding waar mijn uitgeverij onderdeel van uitmaakte, had besloten mijn bedrijf
als zelfstandig onderdeel op de heffen. Contractueel was er weinig tegen te
doen. Mijn fonds werd teruggebracht tot een beperkt aantal gespecialiseerde
titels en mijn naam werd gereduceerd tot de letters VDW met de dynamisch bedoelde
toevoeging Productions, want de moderne tijd achterhaald alles en het Engels
is het potjeslatijn van deze tijd.
Ik kreeg iemand naast mij,maar werd nog niet helemaal uitgerangeerd. Ik hoefde
nog maar halve dagen te werken, waarbij de directie het deed voorkomen alsof
dit gezien mijn leeftijd een privilege was, want ik kreeg nog zeventig procent
van mijn salaris. Onder de voorwaarde dat ik geen advocaat in de arm zou nemen,
behield ik het recht op een volledig pensioen.
Ik legde mij er maar bij neer, want in een langdurig en ongetwijfeld slopend
proces had ik geen zin. Bovendien wilde ik dat mijn vrouw niet aandoen; die
was eigenlijk wel content met de nieuwe situatie: zo konden wij voor het eerst
sinds jaren weer wat meer samen doen. De hoop dat mijn bedrijf na mijn dood
zou worden voortgezet, had ik toch al jaren geleden opgegeven. Weinig tot niets
is voor de eeuwigheid geschapen en een bedrijf is dat zeker niet.
Mijn vrouw en ik hebben geen kinderen en daarom was een zoon van mijn broer aanvankelijk in de zaak gekomen om tot mijn opvolger opgeleid te worden. Doch mijn neef interesseerde zich in het geheel niet voor het boekenvak en bleek ook anderszins onbetrouwbaar. Nadat verscheidene auteurs zich over hem beklaagd hadden, waren hij en ik tot de conclusie gekomen, dat het beter was voor iedereen als hij opstapte. Momenteel werkt hij in de autobranche en dat schijnt hem goed af te gaan. Mijn wens dat mijn uitgeverij tot die oude gerespecteerde huizen binnen het boekenwezen zou gaan behoren, was een illusie gebleken. Overigens is de gehele bedrijfstak de laatste jaren zo veranderd en heb ik zoveel gewaardeerde collega's zien sneuvelen, dat deze droom waarschijnlijk ook nooit gestalte had gekregen, wanneer ik wel een zoon had gehad.
Ik kreeg inderdaad meer vrije tijd, maar van meer optrekken met mijn vrouw kwam weinig. Er is niet zoiets als een lot, er is slechts toeval. Doordat een collega trouwde, kreeg mijn vrouw onverwachts promotie op het bureau voor maatschappelijk werk waar zij al jaren aan verbonden is. Het was een aardige positie en zij stortte zich met hernieuwde energie op haar functie. Een vriend, die al in de VUT zat, wist mij enthousiast te maken voor genealogie. Zo kwam het, dat ik voor het eerst sinds lange tijd mijn plaats van herkomst weer bezocht.
Het café 't Rond, tegenover het raadhuis, waar mijn broer en ik menigmaal
gebiljart hebben, was verdwenen. ‘Bijouterieën’ stond er nu op de nieuwe,
gemarmerde pui. In het gemeentehuis bij de afdeling Burgerzaken en in het gemeentearchief
was weinig over mijn familie te vinden en dat had ik ook niet anders verwacht.
Mijn beide ouders waren import en hun wortels lagen in de Betuwe. Mijn vader
was indertijd naar Heernhoede gekomen als slagersknecht, op voorwaarde dat hij
de zaak op den duur kon overnemen. Nadat dit gebeurd was, was hij met mijn moeder
getrouwd, met wie hij al jaren verloofd was. Uit hun huwelijk waren mijn broer
en ik geboren.
Geen van ons beiden is hem opgevolgd. Mijn broer is gaan studeren om later in
de bosbouw te gaan werken. Als kind las ik veel en ik was al jong meer in boeken
dan in de voormalige model-vleeshouwerij aan de Patijnlaan geïnteresseerd.
Na mijn schooltijd kwam ik dan ook op voorspraak van een leraar terecht bij
de uitgeverij, waar ik het dan uiteindelijk tot eigenaar-directeur heb geschopt.
En niet alleen omdat ik getrouwd ben met de dochter van de baas.
Mijn moeder kon op het laatst niet meer in de zaak staan als mijn vader zijn
rondes deed en er kwam tijdelijk een knecht.
Na het overlijden van mijn moeder verkocht mijn vader de zaak aan de fietsenmaker
ernaast, die zijn onderneming uitbreidde tot een ‘tweewielercentrum’. Mijn vader
trok in bij een vrouw aan de Dalweg, die hij waarschijnlijk als klant had leren
kennen. Hij is nooit met die vrouw getrouwd. Waarom weet ik niet. Mijn
boer en ik noemden haar uiteindelijk maar Tante. Waar mijn vader ooit gebogen
stond over kalf- en varkenslapjes, glimmen de voorbijganger thans motoren tegemoet.
In het boek van Frans Helfenrath staat nog een oude foto van de slager van wie
mijn vader de winkel overnam.
Daar ik dus vrij snel klaar was in het geheel verbouwde gemeentehuis, reed dus maar wat door Heernhoede in een poging nog iets van het verleden terug te vinden. Wij woonden boven de zaak. Zodra het kon, hadden mijn ouders het hele huis gekocht, zodat we ook beneden konden wonen. De etage boven de winkel werd later verhuurd, dan kon de hypotheek afgekocht worden. Mijn broer en ik waren toen al het huis uit. Voor zijn overlijden heeft mijn vader eerst de winkel verpacht en daarna ook het huis nog verkocht, zeer tegen de zin in van mij en mijn broer. Vooral mijn broer was bang dat het geld wel bij onze oneigenlijke tante terecht zou komen en daarin heeft hij deels gelijk gekregen. Langzaam reed ik in mijn auto nog maar eens door de wijk.
Geen van de mensen die er te zien waren, herkende ik en dat had ik eigenlijk
wel verwacht. Was dan werkelijk iedereen vertrokken? Ook de woonhuizen waren
sterk veranderd. Erkers met van die leuke schuine dakjes met donkere dakpannen
waren uitgebouwd tot serres met platte daken, schuren waren afgebroken of omgebouwd
tot garages van een lelijk soort baksteen. De tuinen waren deels plat geslagen
om plaats te maken voor opritten van nagemaakt natuursteen en in sommige waren
van die vijvers aangelegd die je tegenwoordig bij ieder tuincentrum kant en
klaar kunt kopen. Van elkaar afgeschermd door coniferen leefden hier mensen
die elkaars bestaan zoveel mogelijk ontkenden.
Winkels waren er nauwelijks meer, zelfs niet in de straat verderop, waar wij
vroeger altijd onze levensmiddelen haalden. Daar had men de panden van de voormalige
groentewinkel en de kruidenier samengetrokken tot het kantoor van een financieel
adviseur met een wit interieur. Alleen de manifacturenzaak was er nog, al werden
er nu artikelen verkocht onder de noemer ‘creatieve textiele werkvormen’. De
aardappelhandelaar woonde er nog wel, maar was blijkbaar overgegaan op diepvriesproducten.
Waar eens de gereformeerde kerk had gestaan, bevond zich nu een kale vlakte,
waar blijkens een bord een aannemer luxe appartementen ging bouwen.
Het leek erop alsof men afgerekend had met een verleden dat men blijkbaar haatte.
Nieuw is het parool waarnaar men leeft en alles van vroeger moet zoveel mogelijk
verdoezeld worden. De moderne stadsbewoner is een wezen zonder geschiedenis
geworden, een geheugenloos individu dat alleen maar aan morgen kan denken, zelfs
ternauwernood nog aan vandaag. Geen wonder dat boeken het soms nog geen jaar
in de winkel uithouden en dat zelfs bibliotheken minder gevraagde titel in de
uitverkoop doen.
Ik reed maar in de richting van de binnenstad, ervoor zorgend dat ik het tot één groot kooppaleis verbouwde centrum met zijn langs de warenhuizen drentelende menigte zoveel mogelijk links liet liggen.
Omdat er zoveel straten met eenrichtingsverkeer waren bijgekomen en de doorgang voor een groot deel geblokkeerd werd door promenades, cirkelde ik een paar keer rond. Ik moest hoesten, zoals ik wel vaker doe als ik nerveus wordt, maar ik liet het zijraampje dicht. Mijn dooltocht kwam ten einde bij zo'n kolossale parkeergarage. Bruusk keerde ik mijn auto, met de bedoeling om de stad zo snel mogelijk uit te rijden in een poging om althans dat weeë gevoel kwijt te raken.
Onbedoeld bevond ik mij opeens in een stadsdeel waarop ambtenaren en projectontwikkelaren
nog niet goed greep hadden gekregen. Voor mij doemde ineens het grote neo-gotische
gebouw van de katholieke kerk op. Ik bevond mij vlakbij de Rozen-straat. Ik
parkeerde de wagen en stapte uit. Weliswaar had men de middenstandswoningen
zo hier en daar gerenoveerd, maar de straten rond de kerk waren goeddeels intact
gebleven. Ik kocht in een drogisterij een zakje drop en liep wat rond. Op de
stoep hinkelden de meisjes en repareerden een paar jongens een oude brommertje.
Ik probeerde mij het huisnummer te herinneren van mijn schoolvriendje Benno,
maar dat was bedolven onder al die feiten die zich in een mensenleven opstapelen.
De winkel met zijn roomse rekwisieten was er tot mijn verbazing nog steeds.
Ik bekeek aandachtig de gewaden, de heiligenbeeldjes en de kaarsen. Het leken
wel relikwieën uit een ander leven. Juist omdat ik vroeger zelf niet katholiek
was opgevoed, hadden ook toen die voorwerpen al een grote aantrekkingskracht
op mij uitgeoefend, net zoals het gregoriaans gezang dat uit de nabijgelegen
kerk kwam. Ik had er op weg van school naar huis vaak geen weerstand aan kunnen
bieden mijn neus tegen de etalageruit te drukken. Deze buurt had daarom een
betekenis gekregen die ik niet kon verklaren en die voor mij juist daaraan zijn
waarde ontleende.
Ik overwoog net om eindelijk eens naar binnen te gaan, - iets wat ik als kind
nooit gedurfd had - toen ik bij op de deur een bordje zag waaruit bleek dat
de winkel gesloten was. Voor de zekerheid rammelde ik nog aan de deurkruk, maar
de winkeldeur bleek daadwerkelijk dicht te zijn. Jaren te laat dus had ik besloten
de winkel eindelijk te betreden.
Teleurgesteld wilde ik weggaan, toen mij het huisnummer opviel. In de portiek
naast de winkel werd mijn vermoeden bevestigd: "Helfenrath" stond er op een
naambordje in het portaal dat toegang verschafte tot een aantal etagewoningen.
Een moment aarzelde ik, toen drukte ik op de bel ernaast. Het leek of het zo
moest zijn.
De deur werd van bovenaf met een touw geopend en bovenaan een smalle trap riep
een vrouw: "Wie is daar?". Ik stommelde de trap op en stelde mij voor als Van
de Water, uitgever van VDW Productions. Beduusd door mijn eigen vrijmoedigheid
legde ik de oude vrouw haastig uit wat mij hier gebracht had. Struikelend over
mijn woorden vertelde ik haar over mijn relatie met Frans. De vrouw, die inderdaad
zijn moeder was, zweeg even, nadat ik beschaamd mijn mond hield.
"Nou, komt U dan maar binnen. Dan zal ik u aan vader voorstellen."
Even later zat ik op een kleine bovenwoning met twee oude mensen thee te drinken.
Het interieur leek al jaren aan geen verandering onderhevig te zijn geweest
en deed mij denken aan dat van vroeger thuis. De oude man in de leunstoel met
hoofdkussen tegenover mij was tamelijk doof en de vrouw moest telkens herhalen
wat ik zei. Ondanks mijn uitleg leken zij niet goed te begrijpen wat ik hier
deed. Ikzelf ook steeds minder.
"Was u een vriend van mijn zoon?" wilde de man weten.
Mijn verklaring dat ik dat misschien was geweest, maar dat ik mij dat zelf ook
niet goed meer herinnerde, hoorden ze onbewogen aan. Alsof het de gewoonste
zaak van de wereld was.
"Op welke school heeft u gezeten?" informeerde de vrouw.
"Op het Tweede Christelijke Lyceum."
Daar had Frans ook op gezeten. Hoewel zij katholiek waren, hadden ze hun zoon
op een protestantse school gedaan, want dat was nog altijd beter dan op het
openbare lyceum. Erg gelukkig was hij daar overigens niet geweest, want omdat
hij nogal klein van stuk was, hadden ze hem veel geplaagd. De vrouw vroeg door.
"Is uw voornaam soms Jan?"
"Nee, ik ben geen Jan, ik heet Albert. Naar mijn grootvader van moederskant."
De vrouw leek zich nu iets te herinneren."Heeft u soms onze zoon eens gered?"
Er ging ook mij nu een licht op. In de derde klas was ik een keer blijven zitten. Het was in het jaar geweest dat mijn moeder ziek werd en ik had mij slecht op mijn huiswerk kunnen concentreren. Ik was op de lerarenvergadering een bespreekgeval geweest. Tot mijn ontzetting had men het in verband met mijn huiselijke situatie beter voor mij gevonden, dat ik eens een jaar doubleerde. Vol tegenzin en volstrekt plichtmatig had ik het jaar overgedaan. Met al die kleine jongens uit de klas waarin ik terecht kwam, had ik mij zo weinig mogelijk bemoeid, in de pauzes liep ik nog gewoon op met mijn oude kameraden. Bij sommigen kwam ik het jaar erop trouwens toch weer in de klas te zitten, omdat zij op hun beurt waren blijven zitten.
Ik leed toen ik jong was aan het Robin Hood-syndroom, zoals ik dat later maar
ben gaan noemen. Ik had een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en ook
zonder speciale reden nam ik het altijd op voor de zwakkeren. Wie in onze straat
kleine meisjes pestte, kon rekenen op een pak slaag. Hoewel ik niet erg groot
was, was ik wel sterk en ik werd door velen dan ook gevreesd. De ouders van
een jongen uit de buurt zijn nog eens komen klagen, vanwege het feit dat ik
hun zoon een tand uit de mond had geslagen omdat hij mijn broer aan het huilen
had gemaakt. Om wat mijn ouders "agressie" noemden enigszins te beteugelen,
deden ze mij op schermen, een sport die ik nog lang beoefend heb. Wat vreemd
misschien voor een jongen uit de middenstand, maar de schermschool was toevallig
het dichtst in de buurt. Tot op heden heb ik er een zekere sportiviteit aan
overgehouden, of althans een bepaald gevoel voor hoffelijkheid.
In de klas waarin ik terecht kwam, waren een paar jongens die al eens eerder
waren blijven zitten en die nu de baas speelden over de jongeren. Vooral twee
kleine jongens werden door hen geterroriseerd. Aanvankelijk had ik mij nergens
mee bemoeid, maar op een gegeven moment begon het mij te vervelen
en douwde ik de grootste en dikste van het stel met zijn kop door de modder.
Dit omdat hij één van de knaapjes met boeken en al in een plas
had laten vallen. Hij piepte al een varken, herinnerde ik mij nu weer.
Holle Bolle, zoals ik hem noemde en in navolging van mij daarna ook de rest
van de klas, deed in het vervolg of hij mijn vriend was en ik liet mij dat maar
een beetje aanleunen. Zijn kornuiten onthielden zich in het vervolg ook van
hun pesterijen, want na dit incident was mijn woord min of meer wet. Hierdoor
kwam ook een einde aan de wanordelijkheden gedurende de lessen van de lerares
staatsinrichting, want die vond ik erg aardig. De twee kleintjes - de een was
lichtblond en de ander had bruin, krullend haar, als ik me goed herinner - gedroegen
zich sindsdien als een soort bedienden.
Hun namen heb ik niet onthouden, maar één van hen moet dus Frans Helfenrath zijn geweest. Meer dan een jaar heb ik niet bij hem in de klas gezeten, want hij ging in het vierde jaar naar de andere afdeling.
Ik vertelde zijn ouders de geschiedenis, die zij al bleken te kennen. De houding
van de oude mensen was nu niet langer terughoudend en ik kreeg het levensverhaal
van hun zoon te horen. Helfenrath had graag kunstenaar willen worden en hij
was eigenlijk tegen de zin van zijn ouders in naar de kunstnijverheidsschool
gegaan.Zij hadden natuurlijk liever gezien dat hij de winkel beneden had
overgenomen. Na zijn opleiding had hij niet echt aan de slag kunnen komen als
ontwerper: hij was wel goed, maar net niet goed genoeg. Hij was op een assurantiekantoor
terecht gekomen en getrouwd.
Helaas had zijn vrouw het met een ander aangelegd en toen was het mis met hem
gegaan. Hij was aan het zwerven geslagen en had lang in het buitenland gewoond.
Op het laatst had hij de kost verdiend als schaapherder ergens in Zuid-Frankrijk.
Daar had hij een inzinking gekregen en had ruim een jaar moeten doorbrengen
in een inrichting. Godsdienstwaanzin of zoiets, hadden de doctoren geconstateerd.
Ik stelde vast dat de novelle die ik onder ogen had gekregen, nog veel autobiografischer
was dan ik vermoed had.
Nadat hij weer ontslagen was, was Frans thuis komen wonen. In de winkel wilde
hij echter nog steeds niet; van jongs af aan had hij een hekel aan de zaak gehad.
Die was nu trouwens meestentijds dicht; er was in deze tijd nauwelijks nog iemand
in geïnteresseerd. De mensen gaven niet meer om religie, maar hielden zich
liever bezig met paranormale verschijnselen en vliegende schotels. Toch vonden
zij het zonde de zaak op te heffen, zolang er nog een kleine groep mensen bestond
die wel belangstelling had voor het ware geloof. Het feit dat zij als een overblijfsel
werden beschouwd uit een achterhaald verleden deerde hen niet.
Frans had gelukkig als verslaggever terecht gekund bij de Heernhoeder Courant.
Hij schreef daarin dan meestal over kunst en recreatie. Veel leverde het hem
niet op, maar hij leek er wel van op te knappen.
Zijn dood was onverwachts gekomen, juist toen hij weer vol nieuwe plannen zat.
Nee,het was geen enge ziekte als aids of kanker geweest. Hij was het slachtoffer
geworden van een infectie die meestal niet slecht afliep. Nekkramp. De dokter
had het gevaar onderschat. Iedereen dacht aanvankelijk dat het griep was. Maar
op een nacht was het ineens erger geworden en toen hij met de ambulance naar
het ziekenhuis was gebracht, was het al te laat geweest.
Ik zat een poosje zwijgend tegenover de oude mensen. Zij staarden wat voor
zich uit. Misschien was het verdriet over het verlies van hun enige zoon wel
te groot om zich anders te kunnen uiten. Op de radio zeurde zachte muziek.
"Wilt u zijn kamer soms zien?" vroeg de vrouw ineens.
Dat kon ik niet weigeren. Ik ging achter haar aan het jongenskamertje binnen
waar Helfenrath ook zijn laatste jaren had gesleten.
De tijd leek ook hier stil te hebben gestaan. Vaantjes van oude schooltournooien
hingen aan de wand. Van boven het bed keek Cliff Richard mij lachend aan. Toen
zij de deur sloot, zag ik aan de binnenkant een waarschijnlijk door hemzelf
vervaardigde tekening van Jezus, die als zielenherder zijn volgelingen toesprak.
De vrouw diepte uit een bureautje een pak papieren op."Misschien dat U dit wilt
zien",fluisterde ze haast."Vader wil er niets van weten.Hij denkt dat het wel
weer godslasterlijk zal zijn."
Ik keek de papieren in.Het bleek een herschreven versie van de novelle te zijn
die haar zoon mij had toegestuurd.
Hij leek mijn aanwijzingen trouw opgevolgd te hebben,want sommige passages
waren beter uitgewerkt .Ook had hij een vrouwelijk personage toegevoegd. Het
matige Nederlands en de vele doorhalingen wekten de indruk dat het nog een kladversie
moest zijn.
"Zou ik dit mogen meenemen?"
Ze aarzelde."Weet u, wij wilden dit eigenlijk bewaren. We hebben niet zoveel
meer van Frans. Zijn tekeningen heeft hij op een keer allemaal verbrand."
Ik wees haar erop dat haar zoon het waarschijnlijk zeer op prijs gesteld zou
hebben, als deze roman in druk was verschenen. Ik kon het manuscript laten fotokopiëren
en hun het origineel onmiddellijk terugsturen. Zij moest het met haar echtgenoot
bespreken.
Haar man wilde er niets van weten. Ik drong nog aan, maar toen hij erover begon
dat hij niet wilde dat zijn zoons nagedachtenis bezoedeld werd, begreep ik dat
ik trachtte een schier onmogelijk opdracht te vervullen. Bij mijn vertrek, toen
ik al bovenaan de trap stond, zei de moeder nog dat zij het er nog met haar
dochter over zou hebben.
Onderweg naar huis moest ik denken aan de film "Il Posto" die ik jaren geleden gezien had. Het was het verhaal van een jongen die een ondergeschikte positie op een groot kantoor kreeg. De klerken zaten achter elkaar en hij moest achteraan beginnen. Telkens wanneer er iemand stierf, schoven de anderen een plaats op. Eén van de klerken schreef 's nachts stiekem aan een boek, waarbij zijn hospita voortdurend controleerde of hij het licht niet aan had. Na zijn dood vond men bij het ontruimen van zijn bureaula het manuscript. Het werd samen met enkele andere persoonlijke bezittingen weggegooid. Is dit niet wat er meestal gebeurd? Zodra wij dood zijn,h eeft juist wat ons het dierbaarste was, meestal als eerste zijn waarde verloren.
Ook door herhaaldelijk bellen bleken de oude mensen waren niet tot andere gedachten te brengen. Ik schreef zelfs nog een voor mijn doen lang, getypt epistel, waarin ik mijn argumenten nog eens op een rij zette, doch het enige resultaat was slechts een beleefde maar afwijzende brief van de dochter. Zij beloofde wel de papieren van haar broer niet weg te zullen gooien. Later misschien, als haar ouders waren overleden ,kon ik het wellicht nog eens proberen.
Ik wacht dus maar af. Ik weet niet of ik het manuscript ooit nog zal zien. En als het mij op een dag toevallig weer onder ogen zal komen, zal ik wellicht toch moeten besluiten het alsnog niet uit te geven. Is dat erg? In de loop van de menselijke geschiedenis moeten vele werken nooit het licht hebben gezien en daar moeten zelfs meesterwerken bij zijn geweest. De ontwikkeling van de mensheid is er zelden door geschaad. Vele manuscripten zijn verloren gegaan, waar niemand om treurt. Er zijn zelfs hele bibliotheken afgebrand, zonder dat de ontwikkeling tot stilstand is gekomen. Verborgen op zolders moeten nog talloze verhalen liggen waar niemand de waarde van kent. De meeste zullen zonder betekenis zijn, behalve voor degenen die de schrijvers ervan hebben gekend. Als ook zij zijn verdwenen, zal ook die betekenis verloren zijn gegaan. Eindeloos vele levensgeschiedenissen zijn voorbij getrokken, zonder dat ooit iemand hen op schrift heeft gesteld, en niemand die er iets om geeft. Is het niet zo dat de meeste levens al zijn verstreken, nog voordat hun bestaan is voorbij is? De meeste van onze activiteiten zijn nutteloos en zelfs als zij ergens toe leiden, is het resultaat slechts tijdelijk. Of iets verdwijnt of wat langer blijft, is vrij willekeurig. Het is meestal slechts toeval als wij aan de vergetelheid ontkomen. Op termijn wordt iedereen zijn eigen relikwie.
"Wanneer we maar lang genoeg leven, vergeten wij op den duur zelfs wat we ooit wilden.", schreef eens W.F. Hermans. Gelukkig maar dat ik uitgever ben, en geen schrijver. Waarom ik het bovenstaande dan toch opgeschreven heb, begrijp ik zelf niet. Soms echter vallen wij ten prooi aan raadselachtige aandriften, waarvan wijzelf het bestaan niet wisten. Dat is alles wat ik er nog over kan zeggen. Misschien is het daarom maar beter dat ik Frans Helfenrath en zijn manuscript zo snel mogelijk uit mijn hoofd zet.