Het applaus voor het hemelse gezang stierf geleidelijk af. Enkele mensen begonnen het centrale plein al te verlaten nu duidelijk was dat het kinderkoor geen toegift zou geven. Ik bleef, om na te genieten van de ijle klanken die deze dag de rustgevende traagheid gaven die ik wenste. Deze dag was de eerste warme dag van het jaar en ik had mij voorgenomen er van te genieten.

Met het verschijnen van de lentezon was mijn hoofdpijn verdwenen. Zo goed als. Een tijdlang was ik ziek, maar ik had niets gemist. Het leven in deze Zuid-Europese stad, zoals ik dat vanachter mijn raam ergens op een vierde verdieping waarnam, leek stilgezet, verscholen achter een grijze waas. Maar nu lachte iedereen, sprak, zong en genoot. Voorzichtig nog, dat wel, want de lentezon was nog maar net verschenen en mocht niet worden afgeschrikt.

Ik genoot van de ruimte boven mijn hoofd, die ineens ontstaat als de winter niet meer opdaagt. Ik ademde diep in en een tevreden kalmte nam bezit van mij. Ik had het gevoel dat ik die dag veel had gedaan, maar wat precies, dat wist ik niet.

Vanavond had ik een afspraak met Maurice. Tot die afspraak had ik tijd te doden. Maurice was niet mijn beste vriend, zelfs geen goede, maar ik was blij dat hij langskwam. Hij was hier twee dagen, voor een congres. Wij zouden vanavond in een café in het oude centrum, onder het genot van de locale drank, de bekende herinneringen weer naar boven halen. En dat werd tijd. Hoog tijd.

Veel contact met vroeger had ik niet. Al heel lang niet. Enige tijd na mijn studie was ik begonnen met verhuizen. Eerst binnen Nederland, vervolgens ook erbuiten. Soms kwam ik terug, en daarna ging ik weer weg. Waarom ik hiermee begonnen was was ik vergeten. Het zou goed kunnen dat juist dat de bedoeling was.

Het plein was nu bijna leeg, het was stil geworden om mij heen. Te stil. Ik moest de mensen opzoeken, hun gepraat en gelach weer om mij heen horen. Ik zou naar het water kunnen gaan, of naar het park. Goed beschouwd maakte dat weinig uit, iedereen is overal. Ik had ook zin om naar huis te gaan en mij te douchen. Maar wie weet hoe lang deze late middagzon nog warm blijft? En die warmte wilde ik niet missen. Het was tenslotte de eerste warme dag van het jaar, ik was kalm en mijn hoofdpijn was zo goed als voorbij. Het was duidelijk dat als ik genieten wilde, ik dat nu moest doen.

Een vrouw in een witte jurk sloeg verderop een straat in. Ik had haar niet goed gezien, maar als het dan toch niet uitmaakte welke kant ik opging, volgde ik net zo lief haar voorbeeld.

Halverwege die straat hing een klok die niet liep. Ik besefte dat ik geen idee had van de tijd. En dat was goed, tenslotte had ik de tijd te doden. Wel was het tijd voor koffie. Ik had geluk, in deze straat was een winkel waar ik meeneemkoffie kon halen. Ik ging naar binnen voor een extra grote beker, want de lente was in aantocht en daar wilde ik van genieten.

Weer terug op straat, met de beker in mijn handen, speurden mijn ogen naar de vrouw in witte jurk. Zij was nergens meer te zien, maar op de hoek, aan de overkant, zag ik een onopvallende, rustige man. Hij stond stil, verdwaald tussen de bezige mensen. Hij was alleen, net als ik, en het leek alsof de anderen hem niet zagen. Ik besloot de straat over te steken, zijn richting op. Niet dat ik per se naar hem toe wilde, meer omdat het toch niet uitmaakte welke kant ik opging.

Ik had niet het idee dat hij mij zag, maar zodra ik dichtbij hem kwam draaide hij zich naar mij toe, haast alsof hij mij verwachtte. Ik hield stil. Hij zag er normaal uit, teleurstellend normaal. Hij leek zelfs iets op mij, hoewel ik dat idee vaker had bij anderen. De Dood was eenzaam, dat was hem aan te zien, maar verder viel hij niet uit de toon. Hij begon te spreken, rustig. Hij sprak over het weer, hij sprak over de voordelen van zomertijd en al snel sprak hij over verveling. Ik luisterde en ik knikte af en toe.

Niet dat ik mijn koffie vergat. Tenslotte was deze dag er om van te genieten en niemand zou mij dat afnemen. Wel smaakte de koffie anders dan ik gewend was. Een beetje vreemd zelfs, maar niet slecht. Zeker niet slecht. Bovendien hielp hij de lichtjes opkomende hoofdpijn te verdringen. Ik blies een dampwolkje weg en nam een slok.

De Dood sprak door en ik knikte. Wat hij exact allemaal zei weet ik niet meer, maar ik herinner mij dat hij het prettig vond om aanspraak te hebben. Dat vond ik prima, ik had alle tijd. Verder viel mij op dat hij oogcontact probeerde te vermijden. En dat niemand hem leek op te merken, hoewel ik dat gevoel ook vaak bij mijzelf had.

Mijn koffie was op. Dat niet alleen, ik begon trek te krijgen. Verderop was een broodjeszaak waar ze zelf nog het brood bakten. Ik kwam daar vaak en at de broodjes dan op in het park, dat iets verderop lag. Ik onderbrak de Dood en zei, sorry, ik heb honger, tot een volgende keer. De Dood leek teleurgesteld. Ik gaf hem een hand en glimlachte hem vriendelijk toe. Hij knikte en ik liep weg.

Op weg naar de bakkerszaak liep ik door een straatje waar schaduw viel. Hier was het aanmerkelijk stiller en frisser en ik begon wat in mijzelf te zingen. Niets bekends, nee, zomaar een deuntje. Hoewel het ongetwijfeld ergens van was afgeleid. Van mijn hoofdpijn had ik zo goed als geen last meer. Ik probeerde mij te herinneren wat het kinderkoor gezongen had, maar niets schoot mij te binnen. De kinderen hadden hun schooluniform aan, dat wist ik nog.

De bakkerszaak kwam in zicht. Ik was blij dat ik mij kalm voelde en dat die kalmte aanwezig bleef. Ik was blij dat ik alle tijd had en dat mijn hoofdpijn zich koest hield. Ik ging naar binnen en wachtte op mijn beurt. Eenmaal buiten zag ik dat de Dood op mij wachtte. Hij was iets kleiner dan ik, maar leek daadwerkelijk sterk op mij. Ik weet, dat vind ik vaker. Maar toch.

Ik stak over naar het vrijheidsplein. Ergens achteraan, verscholen tussen bomen, stond een hoog standbeeld, van een desondanks vergeten generaal. Achter mij volgde de Dood. Hij was weer aan het praten. Zijn gepraat begon mij te vervelen. Ik nam mij voor  niets van hem aan te trekken. Ik was kalm en ik zou kalm blijven. Ik had geen hoofdpijn en die liet ik mij ook niet aanpraten. Bovendien had ik alle tijd en was deze dag er om van te genieten. Ik was op het midden van het plein toen ik hem ineens niet meer hoorde. Enigszins ongerust stopte ik en draaide mij om. Hij zat gehurkt bij een straatkat die zojuist het leven had gelaten. De mensen op het plein liepen er keurig omheen, alsof er niets was gebeurd, alsof de Dood er niet was. Iedereen praatte vrolijk door en lachte, voorzichtig nog, dat wel, want de lentezon was nog maar net verschenen en mocht niet worden afgeschrikt. Hij streelde de dode kat en keek mij aan, een beetje triest, met een blik alsof ook hij er niets aan kon doen. Alles op zijn tijd, was wat hij zei.

Ik knikte en liep verder. Het stoorde mij dat de kat niet eens de moeite had genomen een laatste kreet uit te slaan. Ook stoorde het mij dat iedereen er aan voorbij ging. En het stoorde mij dat mijn hoofdpijn dreigde terug te komen. Maar ik had broodjes bij me, en ik was bijna bij het park. Ik had de tijd. Ik was nog steeds kalm. Ik hoefde mij van niets en niemand wat aan te trekken. Deze dag was er om van te genieten en dat zou ik doen ook. Zo simpel was het.

We zaten gezamenlijk op een bank. Het brood smaakte goed en van mijn hoofdpijn merkte ik niets meer. Ouders kwamen met hun kinderwagens voorbij, hier en daar speelden kinderen tikkertje, of verstoppertje, en verliefde tieners deelden een fles wijn op het gras. Ik bood de Dood een broodje aan. Hij aarzelde. Ik zei, eet, straks word je nog ziek. De Dood leek te schrikken, maar ik lachte vlug en zei dat het niet serieus was bedoeld. Hij lachte terug en even leek het of hij een grapje wilde maken, maar zich bedacht, of er geen kon verzinnen. Hij pakte het broodje aan en begon te eten. Hij leek hongerig.

Het brood smaakte anders dan ik gewend was. Een beetje vreemd zelfs, maar niet slecht. Zeker niet slecht. De zon, die al begon te zakken en een oranje gloed gaf, scheen in mijn ogen. Dat mocht, de zon was niet meer zo fel. De avond was in aantocht, maar vreemd genoeg bleef de warmte. Ik keek recht de zon in en luisterde naar het ruisen van de bladerloze takken. Er schoot een flard van het lied door mijn hoofd. Het lied dat het kinderkoor had gezongen. Hemels en heel kort. Ik kon het niet terughalen.

Hij sprak verder, over verveling. Maar het brood was op en mijn honger was gestild. Ik veegde mijn enigszins vette handen af aan mijn broek. De Dood keek mij vreemd aan en volgde mijn voorbeeld. Hij sprak verder, maar ik viel hem in de rede. Of hij wist hoe laat het was. Hoezo, vroeg hij. Ik heb een afspraak. Het leek alsof hij mij niet begreep. Alles op zijn tijd, was zijn antwoord. Maar ik moet gaan, ik wil mij nog douchen, ik moet nu weg. Hij keek verbaasd, maar het had mij lang genoeg geduurd. Ik begon op te staan.

Ik probeerde op te staan.

Het lukte niet. Ik kwam niet in beweging. Ik had geen keus dan hier te blijven zitten. Vanwaar ineens die onrust, vroeg de Dood, je was zo kalm. Dat was waar, ik was kalm. Dat was ik al de hele dag. En waarom zou ik dat nu verspelen? Inderdaad, ik kon niet weg, maar was deze kalmte dan niet wat ik al die tijd had gewild? Was deze kalmte niet wat ik zo lang had gezocht, wellicht zonder het te weten? Wat maakte ik mij druk, deze dag was er immers om van te genieten. En dat zou ik doen ook.

Ik merkte dat ik niet langer weg wilde. Even was er paniek, maar de paniek was weer weg. Alles op zijn tijd, had hij gezegd. En zo was het. Ik ontspande. Hij sprak door, monotoon, hypnotisch bijna, maar dat gaf niet. Ik luisterde niet. Ik genoot, van de zon, van het ruisen van de nog bladerloze takken, van het gedraai van de wielen van de kinderwagens, van het voorzichtige gelach, dat allemaal hoorde bij een net verschenen lentezon. Ik had alle tijd. Ik had geen hoofdpijn. Ik was de kalmte zelve. Ik keek rond en alles deed mij deugd. Alles vond ik mooi. De wereld om mij heen leek te kloppen. En alles werd stil, onnoemelijk traag. Langzaamaan, beetje bij beetje, hoorde ik niets meer. En ook zelf werd ik stil, en bleef stil, en keek nog eenmaal om mij heen, een laatste keer, en voelde niets dan kalmte. En niemand zag mij weer.

Mark Allon